DUOjob - voor flexibiliteit


Zoeken:
zoeken



Powered by Xanti CMS

Jurisprudentie Waa

De afgelopen jaren is de nodige jurisprudentie ontstaan over de toepassing van de wet.

Tot op heden biedt deze wet de werkgever weinig soelaas als het gaat om het weigeren van deeltijd werk. In merendeel van de gevallen trekt de werkgever aan het kortste eind.

Het is beter om een juridische strijd te voorkomen. Vraag daarom eerst DUOjob om advies.
Of bestudeer de rechtspraak door het rapport "jurisprudentie onderzoek, 3de meting Wet aanpassing arbeidsduur".

Een aantal uitspraken die gunstig zijn voor de werkgevers zijn hieronder beschreven (3 cases).


Case nr 1 Bedrijfsbelang gaat voor deeltijdrecht

Ook al volgt de werkgever de Wet aanpassing arbeidsduur niet, daarmee heeft de werknemer niet automatisch recht op werken in deeltijd.


Een 45-jarige werknemer werkt vanaf november 1991 als chef de bureau bij een groothandel in levenswaren. Hij werkt normaal gesproken 38 uur per week. In maart 2001 vraagt hij zijn werkgever of hij per 1 augustus 32 uur per week mag gaan werken. Een reactie blijft uit en op 23 april dient de werknemer schriftelijk een verzoek in.

De werkgever laat 20 juli laten weten dat het verzoek wordt afgewezen omdat de functie van de werknemer zich niet leent voor deeltijd. Het betreft een leidinggevende functie die moeilijk met een ander gedeeld kan worden.

Na deze afwijzing doet de werknemer een beroep op de Wet aanpassing arbeidsduur. In artikel 2 lid 10 van deze wet is onder meer bepaald dat de werkgever uiterlijk een maand voor de beoogde ingangsdatum op het verzoek tot aanpassing van de arbeidsduur een beslissing moet hebben genomen. Is geen beslissing genomen, dan wordt de arbeidsduur aangepast conform het verzoek van de werknemer.

Volgens de werknemer heeft de werkgever niet tijdig een beslissing genomen op zijn verzoek en hij laat zijn werkgever in augustus 2001 weten dat hij met ingang van 1 september 32 uur per week gaat werken. Als de werkgever bezwaar maakt tegen dit besluit, spant de werknemer een procedure aan bij de kantonrechter. Hij eist dat zijn arbeidsduur overeenkomstig zijn verzoek wordt aangepast.

In dit verband voert hij aan dat zijn verzoek al van rechtswege is ingewilligd. Mocht dat niet het geval zijn, dan kan de werkgever geen bezwaar hebben tegen inwilliging van het verzoek omdat er geen zwaarwegende belangen aanwezig zijn.

De werkgever stelt daarentegen dat de werknemer nooit een rechtsgeldig verzoek tot aanpassing van de arbeidsduur heeft ingediend. De werknemer heeft het eerste verzoek mondeling ingediend. Het tweede verzoek is schriftelijk ingediend, maar er wordt niet verwezen naar de Wet aanpassing arbeidsduur, en het derde verzoek heeft hij ingediend binnen twee jaar na afwijzing van het eerdere verzoek.

De kantonrechter is van mening dat de wet niet van toepassing is op het mondelinge verzoek dat de werknemer in maart 2001 deed. Uit artikel 2 lid 3 van de wet volgt immers dat de werknemer het verzoek tenminste vier maanden voor de beoogde ingangsdatum schriftelijk moet indienen. Het schriftelijk verzoek van 23 april kan wel als een verzoek tot aanpassing van de arbeidsduur worden beschouwd in de zin van de wet.

Het is niet vereist dat in het verzoek expliciet naar de wet wordt verwezen. Toch is de kantonrechter van mening dat de Wet aanpassing arbeidsduur niet van toepassing is op het verzoek. De werknemer heeft op 23 april het verzoek ingediend en verzocht om aanpassing van de arbeidsduur per 1 augustus. De gewenste datum van ingang is korter dan vier maanden. Dit betekent dat de gewenste arbeidsduur niet van rechtswege is aangepast, zoals de werknemer aanvoert.

Verder is de kantonrechter van mening dat de werkgever wel degelijk zwaarwegende belangen heeft voor een afwijzing van het verzoek. De werkgever heeft gemotiveerd aangegeven om welke redenen het verzoek niet kan worden ingewilligd. De kantonrechter wijst het verzoek van de werknemer af.

Kantonrechter Zutphen, 26 november 2002, Jurisprudentie Arbeidsrecht.



Case nr. 2 Haalbaarheid deeltijdwerk

Werkgever heeft zwaarwegende belangen voor afwijzing verzoek tot werken in deeltijd.

Een werkneemster is op 1 december 2000 in dienst getreden bij een farmaceutisch bedrijf in de functie van artsenbezoeker. Zij werkt 32 uur per week. Haar loon bedraagt € 2.492,41.

Het bedrijf heeft op 1 mei 2001 met instemming van de ondernemingsraad een regeling ingevoerd voor het werken in deeltijd. In deze regeling is bepaald dat artsenbezoekers minimaal 32 uur per week moeten werken. De werkneemster is in februari 2001 bevallen en dient een verzoek tot deeltijd in. Zij wil na afloop van haar verlof 20 uur per week werken.

De werkgever wijst op 27 april 2001 dit verzoek af en de werkneemster neemt na afloop van haar zwangerschapsverlof ouderschapsverlof op. Eind 2001 vraagt de werkneemster nogmaals aan haar werkgever of zij twintig uur per week mag werken. Als de werkgever bij zijn standpunt blijft, spant zij een procedure aan bij de kantonrechter. Zij eist een vermindering van haar arbeidsduur tot twintig uur per week.

Volgens de werkneemster heeft de werkgever geen zwaarwegend belang aangevoerd dat een aanpassing van de werktijden in de weg zou staan. Tijdens haar ouderschapsverlof heeft de werkneemster twintig uur per week gewerkt en heeft zij haar werk goed samen met een andere parttime werknemer kunnen uitvoeren.

De werkgever geeft aan dat de baan van artsenbezoeker niet in twintig uur kan worden uitgeoefend. Een artsenbezoeker moet los van de bezoeken ook dertig werkdagen per jaar besteden aan opleidingen, rayonoverleg en verkoopbijeenkomsten. Als de werkneemster maar twintig uur per week werkt, daalt het aantal productieve dagen enorm. De baan leent zich ook niet voor een duobaan. Er moet dan een extra salesmanager worden aangetrokken, hetgeen een verhoging van de kosten met zich meebrengt.

De kantonrechter oordeelt dat de werkgever voldoende zwaarwegende belangen heeft aangetoond. De kosten stijgen aanzienlijk en de werkgever wordt geconfronteerd met organisatorische problemen. Ook merkt de kantonrechter op dat de OR van mening is dat artsenbezoekers minimaal 32 uur per week moeten werken. De kantonrechter wijst de eis van de werknemer af.


Rechtbank Arnhem, sector kanton, locatie Arnhem, 22 april 2002, Jurisprudentie Arbeidsrecht 2002 nr. 140


Case nr 3 Reflexwerking van Wet Aanpassing Arbeidsduur voor kleine bedrijven.


Een werknemer werkt vanaf juni 1996 bij een klein textielbedrijf in de functie van steller. Zijn loon bedraagt € 437,40 bruto per week. Op de arbeidsovereenkomst is een cao van toepassing.

De werknemer neemt in de periode januari tot en met november 2001 ouderschapsverlof op voor vijf uur per week. Na afloop van het verlof wil de werknemer in deeltijd werken. De reden hiervoor is dat hij zijn gehandicapte zus moet verzorgen. De werkgever wijst het verzoek af op grond van zwaarwegende bedrijfsbelangen.

Volgens de werkgever is de Wet Aanpassing Arbeidsduur (WAA) niet van toepassing op bedrijven die minder dan tien werknemers in dienst hebben. De werknemer betwist dit en legt de zaak voor aan de kantonrechter. Volgens de werknemer heeft de werknemer wel recht op deeltijd en doet een beroep op de reflexwerking van de WAA.

De kantonrechter stelt vast dat artikel 2 lid 12 van de WAA voorschrijft dat de wet niet geldt voor bedrijven die minder dan tien werknemers in dienst hebben. De werknemer kan dan ook geen rechtstreeks beroep doen op de wet.

Wel kan de werknemer een beroep doen op de reflexwerking van de wet. In artikel 12 lid 2, tweede zin is ook bepaald dat een bedrijf met minder dan tien werknemers een regeling moet treffen met een werknemer die minder wil werken. Hieruit blijkt dat de werkgever wel rekening moet houden met het privé-belang van de werknemer als hij minder wil werken.

Toch vindt de kantonrechter dat bij het textielbedrijf zwaarwegende bedrijfsbelangen aanwezig zijn om het verzoek van de werknemer af te wijzen. In het bedrijf werken twee stellers die alleen gezamenlijk hun werkzaamheden kunnen uitoefenen. Als de werknemer in deeltijd gaat werken, dan kan de andere steller niet zijn werk doen.

De kantonrechter wijst het verzoek van de werknemer af.

Rechtbank ’s-Hertogenbosch, sector kanton, locatie Eindhoven, 5 maart 2002, Jurisprudentie Arbeidsrecht 2002 nr. 87

Case nr 4: Deeltijd weigeren op grond van zwaarwegend bedrijfsbelang


Kinderdagverblijf weigert korter werken omdat het belang van de kleintjes voorgaat.


Een werkneemster werkt vanaf 1 oktober 1994 voor 28 uur per week als groepsleidster bij een kinderdagverblijf. In december 2002 verzoekt ze het kinderdagverblijf om de arbeidsduur aan te passen van 28 naar 17,5 uur per week.

Het kinderdagverblijf wijst dit verzoek af omdat een vermindering van de arbeidsduur roostertechnisch niet mogelijk is. De werkneemster spant een kort geding aan en eist dat zij te werk wordt gesteld op basis van 17,5 uur per week op straffe van een dwangsom.
Volgens haar heeft de werkgever geen zwaarwegende belangen aangevoerd op basis waarvan het verzoek kan worden afgewezen.

Als het kinderdagverblijf het verzoek zou toewijzen, zou dat betekenen dat er een extra leidster aan de peutergroep moet worden toegevoegd.
Het kinderdagverblijf vindt dit onacceptabel omdat juist in de leeftijd van nul tot vier jaar het noodzakelijk is dat de kinderen in de kinderopvang te maken hebben met vaste leidsters.
Het kinderdagverblijf verwijst hiervoor naar het advies van het Landelijk Pedagogenplatform Kinderopvang.

De rechter oordeelt dat de werkneemster niet heeft weersproken dat er een extra leidster moeten worden aangetrokken als haar verzoek wordt ingewilligd.
De rechter is van mening dat het aangevoerde argument van het kinderdagverblijf wel een zwaarwegend bedrijfsbelang is.
De vordering van de werkneemster wordt afgewezen.


Kantonrechter Enschede, 18 september 2003, Jurisprudentie Arbeidsrecht 2003 nr. 249.

Case nr 5: De wens tot korter werken wint het van de angsten en afspraken van de werkgever.

Een werkneemster werkt bij een verzekeringsinstelling in de functie van artsenbezoeker. Haar werkweek bedraagt 32 uur per week. De werkneemster is eind 2001 met zwangerschapsverlof gegaan en aansluitend heeft zij ouderschapsverlof opgenomen. Na afloop van dit verlof dient zij een verzoek tot aanpassing van de werkweek in. Zij wil voortaan 20 uur per week werken.

De werkgever wijst dit verzoek af onder verwijzing naar een afspraak met de ondernemingsraad. Binnen het bedrijf is het vast beleid dat artsenbezoekers minimaal 32 uur per week werken. De OR heeft met dit beleid ingestemd.

De werkneemster spant een procedure aan bij de kantonrechter. Deze wijst haar verzoek tot aanpassing van de arbeidsduur af. In hoger beroep oordeelt het Gerechtshof dat de werkgever geen zwaarwegende belangen heeft aangevoerd die moeten leiden tot een afwijzing van het verzoek. De werkgever heeft aangevoerd dat hij vreest dat toewijzing van het verzoek tot gevolg zal hebben dat meer werknemers een beroep zullen doen op de Wet aanpassing arbeidsduur.

Het Gerechtshof heeft geen boodschap aan dit argument omdat elk verzoek afzonderlijk moet worden behandeld. Mocht het zo zijn dat veel werknemers een verzoek tot arbeidsvermindering gaan indienen, dan kan het zijn dat om die reden het verzoek niet meer toewijsbaar is. Maar op dit moment is daar geen sprake van.

Verder oordeelt het Gerechtshof dat de instemming van de ondernemingsraad niet van betekenis is omdat de OR alleen invloed kan uitoefenen bij de uitbreiding van de werkweek.


Case nr 6: Vermindering van het aantal uren van veertig naar 24 per week is mogelijk!



Een werkneemster werkt vanaf 1 oktober 1998 als systeembeheerder bij een detacheringsbedrijf, voor vijf dagen per week. Op 4 november 2000 is de werkneemster met zwangerschapsverlof gegaan. Na afloop van het verlof wil de werkneemster minder gaan werken en zij dient hiervoor een verzoek in bij de werkgever. Voortaan wil zij drie dagen per week werken.

De werkgever heeft dit verzoek afgewezen. Volgens de werkgever moeten werknemers die gedetacheerd worden, zoals de werkneemster, tenminste een arbeidsduur van negentig procent hebben.

De werkneemster besluit een procedure aan te spannen bij het kantongerecht. Volgens de werkneemster verhoudt het beleid van de werkgever zich niet met het uitgangspunt van de Wet Aanpassing Arbeidsduur. Zij merkt in dit verband op dat de werkgever onvoldoende heeft aangetoond dat werknemers niet parttime gedetacheerd kunnen worden.

Bij de kantonrechter voert de werkgever aan dat opdrachtgevers systeembeheerders hoofdzakelijk voor honderd procent inhuren. De opdrachtgevers zitten niet te wachten op een systeembeheerder voor drie dagen per week, waarbij dan een collega voor de overige twee dagen wordt ingezet. Een werkweek van tachtig procent per week zou misschien nog wel te realiseren zijn, maar één van zestig procent is uitgesloten.


De kantonrechter is niet overtuigd van de argumenten van de werkgever. De kantonrechter ziet niet in waarom er geen behoefte zou zijn aan een systeembeheerder voor drie dagen per week. Vooral bij kleine bedrijven zou het mogelijk moeten zijn om systeembeheerders parttime in te zetten. De kantonrechter wijst het verzoek van de werkneemster toe.

 Meer jurisprudentie wet aanpassing arbeidsduur

 





Print Print deze pagina  |  E-mail E-mail deze pagina  |  Inloggen